Contour

  

WE CREATE, CONNECT AND GUIDE

Art Matters #1 – kopie of origineel

In de reeks “Art Matters! ’ tonen de kunstwerken die het voorwerp waren van belangrijke rechtszaken of gewoon interessant zijn om de raakvlakken tussen kunst en recht te verkennen. In #1, een werk van Rinus van de Velde dat een bewerking is van een foto van de kunstenaar Otto Muehl. Een illustratie van het adagium: Kopiëren mag niet, bewerken wel mits toestemming. Het is ooit ander geweest. Wist je dat in de renaissance de kopie juist een teken was van artistieke genialiteit.

Kunst als een idee: auteursrechtelijke fictie of feit ?

Getiteld de “Comedian”. Het werk, van de hand van de Italiaan Maurizio Cattelan, werd afgelopen week verkocht op een kunstbeurs in het Amerikaanse Miami Beach en is niet meer of minder dan banaan die aan de muur wordt geplakt met tape. Je vraagt je onmiddellijk af of een banaan met tape errond werkelijk een kunstwerk kan zijn ? De kunstenaar ziet het werk vooral als een aanklacht tegen de doorgedreven financialisering van de kunstmarkt en heeft net om die reden gekozen om dit werk op te hangen op een wereldbekende kunstbeurs die de tendens tot financialisering belichaamt. Bovendien is die banaan als vorm vergankelijk wat onmiddellijk een probleem oproept op het vlak van economische waardering – wie zou er immers een vergankelijk goed willen kopen. Gaat het dan eerder om de richtlijnen (in de vorm van een certificaat) die je meekrijgt als je het werk koopt ? Dit roept dan weer vragen op rond de status van dergelijk certificaat – is het een contract of een voorwerp vatbaar voor eigendomsrechten. Of is eerder het achterliggende idee het kunstwerk – het fysieke object is dan niets meer dan zichtbare manifestatie van het onderliggende werk. Dat is zeker een mogelijkheid, al roept dit meteen vragen op over de auteursrechtelijke bescherming. Een van de pijlers van het auteursrecht is de afwezigheid van de bescherming van ideeën. Het auteursrecht is opgebouwd rond twee criteria de (i) originaliteit en (ii) de vorm waarin een werk wordt veruitwendigt. De rechtspraak is duidelijk op het punt van de originaliteit: de “banaliteit” van een werk is niet relevant voor zover het werk een weergave is van een creatieve geest. Het is vooral het tweede criterium dat botst met de hedendaags conceptuele kunstpraktijk. Weinigen onder de Belgische rechtsgeleerden durven te stellen dat het auteursrecht ideeën beschermd. De vraag is uiteraard waar de grens ligt tussen een veruitwendigd idee en een niet uitgedrukte gedachte. Of, in andere woorden, toont de conceptuele kunstenpraktijk niet aan dat er een grijze zone is tussen “idee” en “vorm” zoals die klassiek worden geïnterpreteerd in Belgische auteursrecht ? Buitenlandse rechtspraak toont een andere interpretatie– eerder vanuit de intrinsieke betekenis van een kunstwerk dan vanuit een instrumentele visie op een kunstwerk. De Spoerri-zaak (Hof van Beroep Parijs) betrof ‘tableaux pièges’ – een soort van ontbijttafereel, bestaande uit objecten uit het dagelijkse ontbijtritueel die werden op een doek geplakt en konden, mits in de instructies van kunstenaar werden opgevolgd, als een ‘echte’ Spoerri gecertifieerd worden. Wat de zaak (en bij uitbreiding de conceptuele kunstpraktijk) ons leert is dat de grens tussen vorm en idee helemaal niet zo duidelijk is. Spoerri beschouwde de tableaux-pièges niet als een kunstwerk, alles kon een tableaux-piège zijn. In dezelfde redeneertrant, zou je kunnen zeggen dat de banaan met tape evengoed een boterham met tape mag zijn. Je koopt immers niet de banaan, maar wel de instructies om een banaan op te hangen. Ander gezegd, de banaan is inwisselbaar. Waar het om draait is dat een vorm wordt gekozen die het idee veruitwendigt dat de kunstenaar voor ogen had. In tegenstelling tot en schilderij van van Gogh, ligt de klemtoon niet op het schilderij (dat overeenkomst met het idee dat Van Gogh voor ogen had), maar eerder op het idee waarvoor de kunstenaar een geschikte structuur kiest. Conceptuele kunstenaars beschouwen ideeën, op zich, als een kunstwerk. De vraag is dus wanneer het recht volgt. Zou het niet logischer zijn te vertrekken vanuit een globale benadering van het kunstwerk in plaats van een kunstwerk te beperken tot haar materiële verschijningsvorm om zo de opdeling vorm en idee als het ware te omzeilen. Een kunstwerk bestaat dan uit het uitvoeringsproces van een idee waardoor vorm en idee één onlosmakelijk geheel vormen. Onder de elementen die de veruitwendiging van het idee bepalen, verstaat men dan niet alleen de lichamelijke vormen (de externe vorm) maar ook de onlichamelijke elementen zoals de ruimte waarin het werk wordt tentoongesteld en de context van de tentoonstelling (de conceptuele vorm). Het concept wint zo aan belang. De notie ‘vorm’ wordt dan ingevuld aan de hand van het concept van het werk dat voldoende gestructureerd moet zijn. De graad van structuur wordt dan bepaald door de richtlijnen die voldoende omschreven moeten worden zodat men een beeld krijgt van het finale kunstwerk zoals het geconcretiseerd moet worden. Daarmee wordt ineens het belang in de kunstpraktijk van certificaten onderstreept – niet als een contract, maar als optionele richtlijnen die de koper kan naleven. Die handelswijze toont dan aan dat kunstwerk niet de fysieke manifestatie is maar eerder het achterliggende idee. Daarop voortbouwend en uitermate belangrijk in het auteursrechtelijke debat rond het opbreken van de traditionele opdeling ‘vorm’ en ‘idee’ is de rol van de toeschouwer. In de conceptuele kunstpraktijk en, ook in het kunstwerk van Catellan, neemt de toeschouwer een belangrijke plaats in. Het auteursrecht vindt zijn bestaansreden in feite in de aanwezigheid van een publiek. Die notie valt niet te verwarren met de notie ‘mededeling aan het publiek’. Zij betekent gewoonweg dat het kunstwerk slechts van bescherming kan genieten van zodra ze bekend geraakt bij het publiek. Om het met de woorden van Marcel Duchamp te zeggen: “ce sont les regardeurs qui font des tableaux”. Men kan gewoonweg niet de bijdrage ontkennen die het publiek – direct of indirect – vaak levert aan het creatieve proces hetgeen mooi geïllustreerd wordt door de banaan van Catellan. Niet alleen de locatie (een befaamde kunstbeurs) maar ook de relatie van een kunstwerk (i.c. een getapete banaan) met het publiek ter plaatse, maakt van het idee een kunstwerk. De conceptuele kunstpraktijk toont dus aan dat een duidelijke gestructureerd concept waarbij de rol van het publiek niet wordt miskent, elementen zijn die kunnen bijdragen tot een hedendaagse invulling van de grijze zone tussen ‘idee’ en vorm’. De hedendaagse kunstpraktijk kan zo als de motor aanzien worden voor de ontwikkeling van het auteursrecht.

Auteursvergoedingen zijn nog steeds een ‘dog whistle’

Uitbetaling in royalties is in mensentaal beter bekend onder de noemer ‘hanggeld’. Het gaat dan meestal om de kleine vergoeding die een organisator van een tentoonstelling je geeft als vergoeding om een kunstwerk tentoon te stellen. In vakjargon heet het dan dat je een vergoeding krijgt voor de overdracht van je auteursrechten (d.i. recht om je werk mee te delen aan het publiek). Die vergoeding is in geen enkel opzicht een volwaardige vergoedingstechniek. Het kan ook anders. Daarmee bedoel ik de mentaliteit om je inkomsten als ondernemer-kunstenaar te fiscaal optimaliseren. Heb je die mentaliteit niet, dan moet je hem inhuren want je naargelang je carrière vordert krijg je er toch mee te maken. In de rulingpraktijk van de FOD Financiën heerst tot op heden een eerder elitaire opvatting waarbij de uitbetaling in anuteursrechten als een % percentage van de omzet wordt bepaald. Dit vooronderstelt het gebruik door de kunstenaar van een vennootschap die dan een bepaald % van de omzet uitkeert aan de kunstenaar onder de vorm van een vergoeding voor overdracht van auteursrechten van de kunstenaar aan de vennootschap. Tal van bekende en minder bekende kunstenaars hebben zo een ruling ontvangen van de FOD Financiën. Om de legkaart volledig te maken en de redeneertrant van rulingcommissie door te trekken, is die geïncorporeerde werkwijze geen ‘must’. Het is perfect denkbaar dat je een uitbetaling in auteursrechten vraagt voor een verkoop aan een museum of andere kunstinstelling. De enige voorwaarde is dat de koper op een of andere manier je auteursrecht kan uitoefenen. Bij een museum is dit evident omdat een museum haar taak bestaat in het publiek meedelen van kunst. In een galerie context is dit minder evident al kan er perfect geargumenteerd worden dat, in een moedergalerie context, de galeriemoet in staat zijn om de auteursrechten van kunstenaar uit te oefenen om haar promotionele taken naar best behoren uit te oefenen. Alhoewel in de beslissingspraktijk van de rulingcommissie de omzet-test wordt toegepast, lijkt die test toch een zekere ontvankelijkheid in te houden voor geïsoleerde verkoop-scenario’s. Foto, Courtesy by Geukens & De Vil / Gideon Kiefer, “the content is still a dog whistle”, 2017;